Hand en pols
Vingerarthrose
Oorzaak
Vingerartrose is slijtage van het kraakbeen in de vingergewrichten. Er bestaat vaak een uitgesproken familiale aanleg. Maar het kan ook een gevolg zijn van trauma (een fractuur) of infectie.
Klachten
Er is pijn en stijfheid van de vingergewrichten, vooral 's ochtends, met periodes van zwelling en roodheid bij opflakkering. Typisch ontstaan harde, pijnloze botuitgroeiingen: Heberden knobbels ter hoogte van het buitenste vingergewricht (DIP) en Bouchard knobbels ter hoogte van het middelste vingergewricht (PIP). Op termijn neemt de beweeglijkheid van de hand af.
Diagnose
De diagnose steunt op het klinisch beeld, aangevuld met een röntgenfoto die de versmalling van de gewrichtsspleet en de botuitgroeiingen bevestigt.
Conservatieve behandeling
Er zijn nog geen bewezen preventieve maatregelen.
De eerste stap in de behandeling bestaat uit het innemen van een voedingsupplement dat Kurkuma en Boswelia bevat, de inname van ontstekingsremmers (NSAID's) bij opflakkering, en een nachtspalk tijdens pijnlijke periodes.
Bij een uitgesproken opflakkering kan een corticosteroïdinfiltratie in het gewricht verlichting geven.
Operatie
Bij aanhoudende klachten ondanks deze conservatieve maatregelen wordt een operatie overwogen. Voor het middelste vingergewricht (PIP) wordt meestal een gewrichtsprothese geplaatst, die de beweeglijkheid, belangrijk voor de grijpfunctie van de vinger, tracht te behouden. Voor het buitenste vingergewricht (DIP) wordt meestal gekozen voor een artrodese: het gewricht wordt verstijfd in een functionele stand, wat een duurzaam pijnvrij resultaat geeft.
Bijzonderheden
De beweeglijkheid van het DIP gewricht is functioneel minder belangrijk dan die van het PIP gewricht, waardoor een verstijving (artrodese) daar goed verdragen wordt en duurzamer is dan een prothese. Ter hoogte van het PIP gewricht weegt het behoud van beweeglijkheid zwaarder door, vandaar de keuze voor een prothese.
Nazorg
Na een prothese wordt de vinger vroeg gemobiliseerd binnen bepaalde afgesproken limieten om de beweeglijkheid op te bouwen. Na een artrodese wordt de vinger geïmmobiliseerd tot de botgenezing, doorgaans gedurende ongeveer 6 weken.
Resultaat:
Beide ingrepen geven een goede pijnvermindering. Een artrodese is duurzamer op lange termijn maar levert een stijf gewricht op; een prothese behoudt de beweeglijkheid maar kan op langere termijn slijtage of loslating vertonen.